Login
Wachtwoord vergetenn
Wachtwoord vergeten close

Lezers in de pen

Ook uw mening kan deel uitmaken van het debat dat elk nieuw TGL-nummer aanreikt. Op deze pagina publiceren wij teksten van TGL-lezers die willen reageren op de thematiek van de TGL-nummers. Gelieve uw mening bondig te verwoorden.

Stuur uw reactie naar info@tgl.be. Alle inzendingen worden nagelezen door de redactie, die zich het recht voorbehoudt om reacties al dan niet te publiceren.


24/09/2011 Zielenroerselen (Adri Weijters)

Een reactie op TGL nr4/2011 De ziel. Ontvankelijk voor het onbekende

De ziel kietelt mijn nieuwsgierigheid, of beter de titel van het vierde nummer van 2011 van het ‘Tijdschrift voor Geestelijk Leven’ : ‘De ziel. Ontvankelijk voor het onbekende’. Het editoriaal wekte naast mijn eerlijke belangstelling ook scepsis op. Is de ziel per definitie niet onbewijsbaar? Is ziel niet het steeds verder afkalvende verzamelbegrip voor de moeilijk benoembare en toch zo werkelijk aangevoelde realiteit van ons zelf? Deze eigenste onvervreemdbare maar bevreemdende zijnskern? En wat die zijnskern is, waaruit die bestaat, wil ik echt weten.

Het eerste artikel in TGL: de evolutie van het begrip ziel in de Nederlandse taal, bracht niet veel verheldering over de aard van de ziel. Wel werd een betekenis verschuiving vastgesteld. Het begrip ziel kwam los van de godsdienstige (christelijke) notatie en verengde naar het ego en de emotionele component. Een verschuiving parallel met de ontwikkeling van de wetenschap waarin het begrip ziel ‘an sich’ minder en minder aan bod komt. De ziel is vervangen door bewustzijn, het ego, de psyche enzovoort die ieder in hun wetenschappelijke discipline bestudeerd worden.

Toch is een passus op het einde van het artikel treffend: ’Je zou kunnen zeggen dat de ziel steeds vloeiender wordt en zich ontwikkeld heeft tot een metafoor voor krachten die het hart raken.’ Is de ziel overdrachtelijk geworden en heeft ze de reële sfeer verlaten? Is de zoektocht hopeloos?

Niet getreurd maar verder gelezen. Het artikel van H. van Praag leek mij een kernstuk: “Wij zijn meer dan ons brein”. De titel wil duidelijk maken dat de schrijver het niet eens is met de huidige reductionistische benadering waarbij de ziel of de geest van de mens herleid wordt tot een uiting van het functioneren van ons brein. Het artikel betoogt dat er meer is, dat er een onvervreemdbare niet materiële eigen kern is die eigen is aan iedere mens. Verder dan een bewogen en gedreven betoog “de mens moet toch meer zijn dan alleen een breinmachinerie” raken we mijns inziens niet. De uitspraak dat geest en brein uit een fundamenteel ander ‘weefsel’ zijn opgebouwd wordt niet onderbouwd. Het artikel besluit met de uitspraak:”ik noem mijzelf een neo-dualist”. Een uitspraak die voor mij niets van de ware aard van de ziel verklaart. Ook lees ik geen weerlegging van een breinmachine die bestaat uit hardware (de hersenen) en dynamisch aanpasbare software of firmware (ervaringen verrijkt door opleiding en vorming, cultuur, gevoelens, zelfbewustzijn en medeleven).

Ik blijf op mijn geestelijke honger. Verdere artikelen zijn allemaal gedreven, verwachtingsvol en/of emotioneel maar stillen allesbehalve mijn honger om de ware aard en substantie van de ziel te begrijpen. We zijn zelfs veraf van de vraagstellingen van John Robinson in zijn boek uit 1963 “Honest to God” waar hij op zoek gaat naar de ware aard of substantie van God (die een zekere gemeenschappelijkheid zou hebben met zielestof) en Gods relatie met de schepping.

Die vragen zijn en blijven:

- is God immanent d.w.z. zelf deel van de natuur en in de natuur bvb als een soort essentie of scheppende kracht…?

- is God bovennatuurlijk (niet van dezelfde substantie als de natuur) en de verre maker die niet persoonlijk betrokken is t.o.v. zijn schepping (le Dieu horlogier)…?

- is God bovennatuurlijk maar wel betrokken op zijn schepping i.c. de individuele mens?

De zielenartikelen uit TGL hebben me niet wijzer gemaakt. Ze hebben me overtuigd dat het begrip ziel in een sfeer van religie thuis hoort, en daar gekoesterd wordt als opstapje naar…

Tevens krijg ik het ongemakkelijke gevoel dat de vrucht van de boom van de kennis bitter smaakt. En dat de gevolgtrekkingen over het bestaan en de aard van de ziel vér reiken t.a.v. van allerlei opvattingen en leerstellingen. Het zoetsappig herkauwen van heimwee naar God weet wat, heeft bij mij niet geleid tot helderheid noch duidelijkheid. Waarom wil men de ziel persé als van een andere niet materiele substantie definiëren? Omdat men nog in de vragen van Robinson verstrikt zit en alleen een immateriële ziel met een bovennatuurlijke persoonsbetrokken God ziet sporen?

Aan dit themanummer van TGL hou ik een gevoel van krampachtigheid over. Waarom proberen we niet verder te gaan met het bijsturen van onze visie op ziel en God parallel met de nieuwe verrassende inzichten van de wetenschappen? Er blijven meer dan genoeg onopgeloste vraagstukken en mysteries. Complexiteit moeten we niet te lijf gaan met vage simplismen. We kunnen ons beter verbazen over de veelheid en mogelijkheden van deze wereld.

Tenslotte zijn we volgens de huidige stand van de kosmologie sterrenstof en conform genesis 3 vers 19 (“Want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren”) zullen we samen met onze moederaarde terug tot sterrenstof vergaan’. En wat als we tijdelijk en vergankelijk zijn? Dan zullen we, als het zover is, zelf niet meer beseffen dat we er niet meer zijn. Bovendien klinkt de discussie over de ziel zielig tenzij je de mensenrechten onderschrijft en de toepassing ervan voortdurend en actief ondersteunt. Bij mijn weten heeft het Vaticaan de universele verklaring van de rechten van de mens (nog) niet ondertekend.

Bovenstaande moest mij van het hart.

Adri Weijters